Expert Talk | Bram De Wispelaere over 2026: waarom de energietransitie nu beslist wordt
In deze Expert Talk deelt Bram De Wispelaere, general manager van EnergyVille, zijn outlook op 2026 als scharnierjaar richting klimaatneutraliteit in 2050. Zijn kernpunt: wie 2050 ernstig neemt, moet nu versnellen in innovatie, demonstratie en opschaling — én tegelijk de beleids- en investeringsvoorwaarden helder maken.
Voornaamste hoogtepunten
- 2026 is het scharnierjaar om 2050 haalbaar te houden
2050 lijkt ver weg, maar investeringscycli en R&D-doorlooptijden maken dat de beslissingen voor de komende decennia nu al moeten vallen. - Innovatie moet vandaag landen in implementatie
Zonder versnelling in innovatie én opschaling wordt 2050 onhaalbaar; de focus verschuift naar wat binnen één tot twee investeringscycli kan worden uitgerold. - EnergyVille’s hefboom: bewijzen wat werkt én de impact kwantificeren
De meerwaarde zit in de combinatie van demonstratie (labo’s, living labs, proeftuinen) én scenario’s die effecten op economie, CO₂ en industrie expliciet maken. - ‘Show, don’t tell’ maakt technologie geloofwaardig voor partners en beleid
Realistische testomgevingen versnellen vertrouwen, adoptie en besluitvorming — en worden richting 2026 een bewuste strategische keuze. - Samenwerking als hefboom voor impact
Om impact te maximaliseren moeten valorisatie en samenwerking structureel van bij de start worden georganiseerd (o.a. via flagships) in plaats van pas op het einde.

Iedereen kijkt naar hetzelfde grote doel: klimaatneutraliteit tegen 2050. Het is een kompas waar beleid, industrie en onderzoek zich aan spiegelen. Maar volgens Bram De Wispelaere, sinds enkele maanden general manager van EnergyVille, zit de echte spanning net in wat dat eindbeeld vandaag vraagt.
“2050 is voor veel mensen ver weg. Maar als je naar de industrie luistert, dan is dat helemaal niet ver,” zegt hij. “Hun investeringscycli zijn vijf tot tien jaar. Om vandaag te kunnen investeren, moeten ze weten wat de komende vijf tot vijfentwintig jaar brengt. Anders is het bijna onmogelijk om nog een businesscase te maken in Europa.”
Daar komt nog bij dat veel technologie — van elektrificatie tot carbon capture — niet ‘van vandaag op morgen’ implementeerbaar is. “Als daar nog R&D voor nodig is, tel je daar makkelijk nog eens vijf tot tien jaar bij. Dan is vijfentwintig jaar letterlijk vandaag,” stelt Bram. Zijn conclusie is nuchter: wie 2050 ernstig neemt, moet 2026 zien als een scharniermoment.
Innovatie versnellen, omdat implementatie tijd kost
Die tijdsdimensie bepaalt ook hoe Bram naar de opdracht van EnergyVille kijkt. Niet als een plek waar enkel onderzoek “op papier” ontstaat, maar als een omgeving die helpt versnellen — van idee tot toepassing.
“Zonder te innoveren ga je 2050 zeker niet halen,” zegt hij. “De tijd tikt echt weg. Innovatie moet er nu zijn, anders zal ze niet op tijd geïmplementeerd zijn in de industrie tegen 2050.”
In 2026 betekent dat concreet dat innovatie niet langer vrijblijvend kan zijn, maar gericht moet zijn op wat binnen één tot twee investeringscycli opschaalbaar is. Dat is meteen de brug naar wat EnergyVille in 2026 wil betekenen: niet één sector vooruit helpen, maar het energiesysteem als geheel.
Enerzijds: aantonen wat technologie en innovatie kan.
“Het wetenschappelijk onderzoek dat we doen bij EnergyVille is niet voor de show,” zegt hij, Ja, het levert papers, patenten en onderbouwde cijfers op. Maar hij benadrukt dat dat alleen niet volstaat: je moet het ook tonen. En net daarin zit volgens hem een sterkte van EnergyVille: “We hebben labo’s, living labs, proeftuinen waar je kan laten zien wat technologie in de praktijk kan betekenen.”
Anderzijds: de link leggen tussen technologie en impact.
“We kunnen scenario’s maken, als een soort glazen bol voor overheden,” legt hij uit. “Als we dit doen, wat betekent dat dan voor de economie, voor de CO₂-reductie, voor de industrie?” Precies in die vertaling, van technologische innovatie naar maatschappelijke en economische consequenties, ziet hij de unieke meerwaarde van EnergyVille.
“Als wij relevant zijn voor het beleid, dan gaat het beleid ons ook relevant vinden,” zegt hij. “Die beleidsrelevantie tonen, met demonstratie én met scenario’s, wordt belangrijk in 2026.”
“Show, don’t tell” als strategie
Bram vat een belangrijk principe samen als show, don’t tell. Hij maakt de link met een persoonlijke hobby — scenario’s schrijven en striptekenen — om het punt te maken: het is krachtiger om iets zichtbaar te maken dan er alleen over te rapporteren.
“Het is zoveel krachtiger om gewoon te tonen dat het kan, dan er honderd bladzijden over te schrijven,” zegt hij. “Daarom zijn de living labs een van de aandachtspunten voor 2026: het is de voedingsbodem waarop we kunnen verderwerken en effectief tonen wat nieuwe distributie-technologie, opslag, flexibiliteit, elektrische voertuigen… in de praktijk kunnen brengen.”
In 2026 wordt dat ‘tonen’ dus geen nice-to-have, maar een bewuste keuze: technologie geloofwaardig maken door ze in realistische contexten te testen, samen met partners die ermee aan de slag kunnen.
Samenwerking als hefboom voor impact
Bram wijst op een belangrijk onderscheidend kenmerk van EnergyVille: de brede waardeketen die er wordt afgedekt, van materiaalinnovatie tot systeemimpact.
“Wat mij verrast heeft, is de hele value chain coverage,” zegt hij. “Van materiaal tot systeem. Dat is uniek.”
Maar hij benoemt ook meteen het spanningsveld: zodra het over valorisatie gaat, verdwijnt die keten soms. “In projecten voel je die versterking tussen partners. Maar als het op valorisatie aankomt, moeten we streven naar nog meer samenwerking tussen de partnerinstellingen,” zegt hij.
Voor 2026 ziet hij daar een duidelijke opdracht: valorisatie niet als ‘laatste stap’ behandelen, maar van bij het begin mee meenemen — zodat de samenhang tussen partners niet verloren gaat wanneer onderzoek richting toepassing beweegt.
Flagships en missiegedreven samenwerking richting 2026
In datzelfde kader plaatst Bram de flagships. Flagships zijn missiegedreven programma’s die verschillende onderzoekslijnen samenbrengen rond concrete systeemuitdagingen met een sterke industriële relevantie, zoals elektrisch renoveren, modulaire hernieuwbare energiesystemen of geëlektrificeerde chemische productie.
In plaats van losse projecten gaat het bij een flagship om een samenhangend, meerjarig programma dat meerdere onderzoekslijnen van EnergyVille bundelt tot één geïntegreerde aanpak. EnergyVille neemt daarbij de coördinerende rol op en betrekt actief externe partners om de impact en maatschappelijke relevantie te versnellen.
Met een looptijd van minstens vier jaar combineren flagships bewust hoog-risico, hoog-rendementsonderzoek met toepassingsgerichte innovatie. Het doel is om het maturiteitsniveau van technologie (TRL), markt (MRL) en samenleving (SRL) aanzienlijk te verhogen.
Zo koppelt Bram dus het flagship-verhaal expliciet aan valorisatie en missiegedreven innovatie, met een duidelijke focus op relevantie voor de Vlaamse industrie.
Belangrijk daarbij is volgens hem dat flagships vertrekken vanuit de noden van de industrie: capteren wat bedrijven nodig hebben, begrijpen waar ze naartoe willen, en daar met de expertise binnen EnergyVille oplossingen rond bouwen. Hij noemt dit ook “de mechanisering van de samenwerking”: samenwerken en de omzetting naar valorisatie structureel maken, zodat het niet pas op het einde start.
Van samenwerking naar product: Orion Grid Technologies als illustratie van wat ‘mechaniseren’ kan opleveren
Als voorbeeld van hoe samenwerking kan doorwerken richting implementatie en toepassing, verwijst Bram naar Orion Grid Technologies, een spin-off van VITO, KU Leuven en EnergyVille. Hij beschrijft Orion als een traject dat duikt in meetgegevens en assetdata van een netbeheerder, waar via data mining en modelling verbanden zichtbaar worden tussen assets en beheer.
Het resulteert in inzichten die netbeheerders “nog nooit eerder hebben gekregen”. Zo kan op basis van data bijvoorbeeld worden afgeleid of er ergens problemen ontstaan die zouden kunnen leiden tot brand.
Misverstanden die vertragen: energie is méér dan klimaat
Bram ziet een risico in het publieke debat: dat energietransitie opnieuw wordt gereduceerd tot ‘klimaatbeleid’, en daardoor als luxe wordt bekeken.
“Energietransitie wordt soms in vraag gesteld door oorlogsdreiging en economische druk,” zegt hij. Maar volgens hem is het tijd om dat verhaal om te keren: “Energietransitie is relevant voor al je andere problemen,” stelt hij.
“We maken het systeem betrouwbaarder en duurzamer, en we proberen af te geraken van fossiele brandstoffen — dat is één van Europa’s grootste afhankelijkheden.”
In dat kader bespreekt hij ook kernenergie. Niet als wondermiddel, maar als technologie waarvan je duidelijk moet maken welke rol ze kan spelen, en vooral: op welke termijn en met welke financiële condities. “Het is een technologie als een ander,” zegt hij. “Hoe snel kun je het implementeren? En hoeveel gaat het kosten?”
Obstakels zijn zelden technologisch: de randvoorwaarden voor 2026
Volgens Bram zit de rem op de transitie vaak niet in de technologie zelf, maar in regelgeving, vergunningen, timing en organisatie. Daar kan EnergyVille helpen door de impact en timing van technologie te verduidelijken, zodat beleid kan beoordelen wat de gevolgen zijn voor implementatie.
“Je moet kunnen uitleggen waarom wetgeving moet veranderen in functie van een doelstelling,” zegt hij. Daarbij wijst hij op het belang van experimenteerruimte: regelluwe zones die echt werken. “Soms kosten vergunningsprocedures gewoon te veel tijd. Dat is niet houdbaar als je snel wil ontwikkelen.”
Slotwoord
Voor 2026 wenst Bram vooral één ding: de voldoening van werk dat zichtbaar impact heeft.
“Het mooiste wat je kunt meemaken, is dat je iets maakt en ziet dat het gebruikt wordt,” zegt hij. “Dat wat je opgebouwd hebt, door mensen of bedrijven wordt ingezet. Die voldoening wens ik onze medewerkers van harte toe.”