Opiniestuk: Energiezuinige gebouwen of energie-intelligente gebouwen?

17-02-2017
Energiezuinige gebouwen of energie-intelligente gebouwen?

De energieprestatie-eisen voor gebouwen worden steeds strenger. Maar wat is het doel dat men wil bereiken, en lukt dat ook? Blijft het betaalbaar? Naar aanleiding van Batibouw reflecteert EnergyVille over een thema dat iedereen die bouwt of verbouwt, aanbelangt.

De energieprestatie-eisen voor gebouwen volgen momenteel een verstrengingspad. Voor nieuwe woningen wordt ‘bijna-energieneutraal’ of BEN vanaf 2021 de algemene norm. Ook het bestaande gebouwenpark heeft nood aan ingrijpende renovatie. Dit heeft vergaande gevolgen voor iedereen die bouwt of verbouwt. Energie is van bijzaak een hoofdzaak geworden en dat vergt bijkomende investeringen. Die betalen zich echter terug door de verminderde energiekost tijdens het gebruik van zo’n performante gebouwen. Op termijn leidt dit dus toch tot netto winst. En vergeten we ook niet dat correct ontworpen energie-efficiënte gebouwen comfortabeler zijn en een hogere marktwaarde ontwikkelen. Maar de hoge ‘instapkost’ blijft voor velen een kopzorg.

Het doel van de energieprestatie-eisen heeft alles te maken met de omslag naar een koolstofvrije maatschappij en een resolute vermindering van de milieu-impact door energiegebruik. Gebouwen veroorzaken in Europa bijna 40% van de broeikasgastuitstoot, en Europa wil die uitstoot tegen 2050 terecht met 80 à 95% verminderen. Hoe dat best kan gebeuren, blijft voer voor veel discussie. Het gaat om een erg complexe uitdaging waarin heel veel beleidsdomeinen, sectoren en actoren betrokken zijn.

Beginnend in gebouwen kunnen we twee soorten maatregelen nemen: de energievraag verminderen en vervolgens de resterende energievraag koolstofarm of –vrij invullen. De wettelijke eisen sturen inderdaad op beide doelen aan, zo is er sinds 2014 een bijkomende eis rond een minimum aandeel hernieuwbare energie opgenomen in de EPB-regelgeving. Een belangrijke afweging bij (ver)bouwen is dus of best kan ingezet worden op een doorgedreven reductie van de energievraag – zeg maar méér isoleren, of dat we op een gegeven ogenblik niet beter inzetten op het gebruiken van hernieuwbare energie – eigen zonnepanelen, warmtepompen, maar bijvoorbeeld ook de aankoop van groene stroom of groene warmte/koude.

Er is echter nog een andere afweging die we moeten maken en waar het beleid vandaag veel minder op inspeelt: gebouwen kunnen in het (hernieuwbaar) energiesysteem van morgen niet meer als individuele entiteiten bekeken worden. Heel wat efficiënte en meer betaalbare oplossingen situeren zich niet op het niveau van het individuele gebouw of de individuele kavel, maar op een hoger schaalniveau: dat van het bouwblok, de wijk, de stad, …. Daarbij worden gebouwen integrerend deel van het energiesysteem van de toekomst. Om het nog complexer te maken wordt in dat systeem niet alleen energie geleverd en gebruikt, maar ook gebufferd, uitgewisseld, omgezet, en het gebruik ervan in de tijd verschoven (het zogenaamde demand side management in slimme netten). Een aanpak die enkel kijkt naar energieproductie en –gebruik in individuele gebouwen is dus onvolledig, en mogelijk zelfs contraproductief. Dit aspect dient ten volle mee opgenomen worden in het beleid en het ontwerp van gebouwen en bij uitbreiding wijken en steden. Energieprestatieregels moeten een bredere scope en implementatievrijheid krijgen. Hierdoor worden de klimaatdoelstellingen makkelijker haalbaar én blijven ze beter betaalbaar.

Bovenstaande punten dienen vertaald te worden naar een nieuwe manier van ontwerpen en in aangepaste regelgeving.

  1. Deze moeten faciliteren dat gebouwen kunnen opereren als slimme entiteiten in een slim energiesysteem. Dat betekent dat ze mee helpen energie produceren, maar ook bufferen, uitwisselen, omzetten en het gebruik ervan verschuiven in de tijd als dat voor het energiesysteem voordelig is. De gebouweigenaar of –gebruiker dient al dan niet financieel beloond te worden om die flexibiliteit te voorzien.

  2. Ze moeten contextgebonden oplossingen toelaten. Een nieuwe kleine rijwoning in de stad, in de schaduw van hogere gebouwen, heeft andere oplossingen nodig dan een vrijstaande woning in de stadsrand waar zontoetreding of ruimte voor een grondgebonden warmtepomp geen enkel probleem vormen.

  3. Trapsgewijze renovatie met een duidelijk einddoel moet in een woningplan gegoten kunnen worden zodat de eigenaar in goed overdachte stappen kan investeren. Dat maakt het niet alleen betaalbaar, maar vermijdt vooral ook lock-ins: ingrepen vandaag die verdere verbeteringen in de toekomst hypothekeren.

  4. Ze moeten volop de inzet van collectieve energiesystemen stimuleren. Warmtenetten zijn hiervan een goed voorbeeld. Zeker in een context met bestaande gebouwen in een stedelijke concentratie is een duurzaam warmtenet een efficiënte oplossing die toelaat om zelfs voor moeilijk te isoleren gebouwen een alternatief voor duurzame energiediensten te bieden. 

  5. Ze mogen innovatie niet in de weg staan. De energietransitie leidt tot steeds nieuwe uitdagingen, opportuniteiten en oplossingen. Eisen mogen niet gekoppeld worden aan een bepaalde technologie, maar moeten keuzevrijheid toelaten met een gegeven CO2-doelstelling voor ogen.

Daarbij zien we volgende tendensen als wenselijk:

  • Nieuwe gebouwen zijn zeer energie-efficiënt en zullen hoofdzakelijk of uitsluitend (groene) elektriciteit gebruiken, bijvoorbeeld opgewekt door gebouw-geïntegreerde PV-systemen;

  • Bestaande gebouwen worden zo gerenoveerd dat ze door duurzame energie geklimatiseerd kunnen worden of aangekoppeld kunnen worden op een warmtenet;

  • Slimme meters en slimme installaties zorgen ervoor dat alle gebouwen binnen het energiesysteem energie flexibel zijn en optimaal functioneren. Daardoor wordt de hoogste CO2-reductie gerealiseerd aan de laagste kost.

Dit leidt automatisch tot uitgebreide ontwerpmogelijkheden die naargelang de context inzetten op gebouwmaatregelen, gebiedsmaatregelen of een combinatie van beide. Beide soorten maatregelen moeten bij een bouwvergunning in acht genomen worden en elkaar resulterend versterken.

Veel aandacht dient te gaan naar de juiste maatregelencombinaties voor gebouwrenovatie: de grote stock aan bestaande gebouwen is een zorgenkind, zeker op vlak van energie, maar vaak ook qua comfort voor de bewoners. Nieuwe gebouwen kunnen kostenefficiënt BEN gebouwd worden; bij bestaande gebouwen is die uitdaging heel wat complexer. De specifieke context van een gebouw speelt daarbij een belangrijke rol. Hiervoor is een wetgeving nodig die oplossingen toelaat die voor de gegeven context het beste resultaat opleveren. Een monument kan je niet zomaar inpakken met isolatie of van PV voorzien, dus is het verantwoord en zelfs kostenefficiënt om voor zo’n gebouw een grotere input aan duurzame energie via collectieve energiesystemen (elektrisch of thermisch) toe te laten.

Het beleid dient ook gecoördineerd te gebeuren, in het bijzonder op de raakvlakken tussen bouw- en energiesector. Maatregelen en prijsmechanismen in de energiesector dienen de gewenste ingrepen in de gebouwen te ondersteunen en vice versa. Zo dienen voorwaarden om stroom te leveren aan het net altijd aantrekkelijk te zijn. Dit vergt vanaf nu aanzienlijke aanpassingen aan de infrastructuur en de marktregels. Maar ook voor de ontwikkeling van warmte geldt dit principe.  Zo’n aanpak faciliteert bijvoorbeeld de uitrol van warmtenetten gebaseerd op verschillende CO2 neutrale warmtebronnen zoals geothermie, valorisatie van industriële afvalwarmte of het uitwisselen van warmteoverschotten tussen gebouwen.